Gerechtshof
te Leeuwarden
Parketnummer: 24-001032-OS

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het
gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op 5 december 2005.
Tegenwoordig: prof. mr. H.L.C. Hermans,
vice-president, voorzitter,
mr. K. Lahuis en mr. A.W.M. Elders, raadsheren,
en mr. C.L.R. Bennen, als griffier.
Het openbaar
ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. S. Tempel, advocaat-generaal:
De
voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De
verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter
te zijn genaamd: Jan Willem Moorlag, geboren op ... 1955 te ....
Als raadsman
van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. N.A Heidanus, advocaat te
Groningen.
Ook is ter
terechtzitting aanwezig Klasina Hooijer, de echtgenote van verdachte en tevens
verdachtes medeverdachte.
De
voorzitter deelt mede dat deze zaak gelijktijdig wordt behandeld met de
strafzaak van de verdachte Klasina Hooijer, parketnummer 24-001008-05.
Om
doelmatigheidsreden wordt in beide zaken een in hoofdlijn gelijkluidend
procesverbaal opgemaakt.
De
voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en
deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
De
advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De verdachte
die hoger beroep heeft ingesteld wordt onmiddellijk na de voordracht van de
advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het
vonnis op te geven. Hij geeft op als reden, dat hij weliswaar de ten laste
gelegde feiten heeft gepleegd, maar dat hij van mening is dat de feiten niet
strafbaar zijn.
De
voorzitter deelt mede de inhoud van het dossier. De voorzitter merkt op, dat het
het hof wel duidelijk is, dat verdachte slechts voor eigen gebruik hennep heeft
gekweekt en niet om winst te maken.
Verdachte
verklaart:
Ik heb de
ziekte ms. Het is een nare ziekte en ik heb baat bij hennep als medicijn. Ik heb
de hennep van de coffeeshop alsmede de farmaceutische hennep geprobeerd. Beiden
zijn van matige kwaliteit. Alleen de zelfgekweekte hennep heeft bij mij een
pijn- en symptoombestrijdend effect. Aan de hennep die in de coffeeshop te koop
is, zijn groeimiddelen toegevoegd, waardoor het niet de juiste werking heeft. De
hennep die in de apotheek te koop is, is bestraald waardoor deze van matige
kwaliteit is. Ook is deze hennep heel duur. Een ontheffing kan slechts door
instellingen en bedrijven worden aangevraagd en niet door een particulier. Dus
dat is ook geen optie.
Er is een
brief van minister Hoogervorst door de raadsman overgelegd (bijlage 2) d.d. 10
december 2004, waarin hij schrijft dat apotheken veel verlies hebben geleden
met de verkoop van hennep, omdat weinig hennep is verkocht. Dat geeft al wel aan
hoe matig de kwaliteit is.
Ik heb de
hennep zelf gekweekt, omdat ik geen andere mogelijkheid had. Ik ben niet van
mening dat het illegaal was. Ik wil mijn gelijk halen bij de rechter. Ik gebruik
het nu nog steeds hennep, twee tot drie gram per dag. Ik haal het bij iemand
anders vandaan, omdat ik door de politie in de gaten word gehouden.
De
voorzitter merkt op: Het is de taak van de rechter om te onderzoeken of de wet
is overtreden. Niet om de wet te maken. De vraag die nu voor ligt is of het hof
kan zeggen dat verdachte in deze omstandigheden niet heeft gehandeld in strijd
met de wet. Ook al zou de rechter persoonlijk begrijpen dat verdachte onder de
huidige omstandigheden hennep heeft gekweekt, heeft het hof nog wel te maken met
de wettelijke bepaling die dit verbiedt.
Medeverdachte Hooijer verklaart: Ik stem in met wat mijn echtgenoot heeft
verklaard. Ik heb met hem de hennep gekweekt om de redenen die hij hier ter
terechtzitting heeft verteld.
De
advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor, strekkende tot
veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 100 voorwaardelijk.
De raadsman
pleit overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota, welke aan dit procesverbaal is
gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd.
De
voorzitter merkt op naar aanleiding van hetgeen de raadsman bepleit:
De veearts
uit het veearts-arrest deed iets wat door de wetgever verboden was. Hij maakte
echter duidelijk dat het doel van de wet beter gediend werd met zijn handelingen
ook al waren ze door de wetgever verboden. Dat lijkt hier wat anders te liggen.
Daarop merkt
de advocaat-generaal op: De Opiumwet is gemaakt in het belang van de
volksgezondheid. Verdachte heeft hetzelfde belang, te weten zijn gezondheid. In
zoverre heeft de raadsman misschien gelijk.
De raadsman
deelt de mening van de advocaat-generaal op dit punt.
Na beraad in
raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
het hof zal
de behandeling van de zaak aanhouden, omdat het nadere informatie nodig acht.
Met de wens van het hof om nadere informatie geeft het echter geen indicatie
over de te nemen beslissing in deze zaak.
Het hof wil
op een nadere terechtzitting iemand als deskundige horen over de werking van de
stof hennep op de ziekte MS. Het hof geeft er de voorkeur aan dat deze
deskundige een farmaceut is, want een farmaceut kan ook informatie geven over
het verschil tussen de werking van de hennep die bij de apotheek te koop is en
die kennelijk bestraald is en de niet bestraalde door verdachte zelf gekweekte
hennep.
Ook wil het
hof graag een arts als deskundige ter terechtzitting horen over de gezondheid
van verdachte en het gebruik van hennep en de effectiviteit daarvan als medicijn
voor verdachte. Dit moet een andere arts zijn dan de behandelend arts van
verdachte, omdat het horen van de eigen arts vaak tuchtrechtelijke problemen
oplevert. Het staat die andere arts echter wel vrij om, met -- - voornoemd in
contact te treden hierover. - -
Voorts
worden de verdachten Moorlag en Hooijer in de gelegenheid gesteld nadere
informatie aan het hof te overleggen, indien zij dat wensen.
Het hof zal
trachten te bevorderen dat de behandeling van de zaak op zo kort mogelijke
termijn voortgezet wordt.
De
advocaat-generaal merkt op, dat hij er de voorkeur aan geeft dat de zaak wordt
verwezen naar de rechter-commissaris.
De
voorzitter deelt als beslissing van het hof mede, dat het hof - gelet op de
voortgang van de zaak - een van de leden van het hof als raadsheer-commissaris
zal benoemen Het hof beslist dat deze stukken in handen van de
raadsheer-commissaris zullen worden gesteld teneinde er zorg voor te dragen dat
de door het hof gewenste deskundigen zullen worden opgeroepen tegen een nader te
bepalen terechtzitting.
Het hof
schorst hierop het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, met bevel
tot oproeping van de verdachte en de raadsman tegen een nader te bepalen
terechtzitting.
Voort dienen
de personen die het hof op de nadere terechtzitting wil horen als
getuigedeskundige te worden opgeroepen.
Waarvan is
opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is
vastgesteld en ondertekend.

LJN: AZ0253, Gerechtshof
Leeuwarden , 24-001008-05
Datum
uitspraak: 17-10-2006
Rechtsgebied: Straf
Soort
procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: "Telen van medicinale cannabis. Ontslag van alle
rechtsvervolging in verband met aannemen overmacht-noodtoestand. Het belang van
het bestrijden van spasticiteit en pijn bij MS patient moet onder de genoemde
bijzondere omstandigheden zwaarder wegen dan het maatschappelijk belang bij
handhaving van de Opiumwet."
Parketnummer: 24-001008-05
Parketnummer eerste aanleg: 19-005758-04
Arrest van 17 oktober 2006 van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige
strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de
rechtbank Assen van 3 mei 2005 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadslieden mr. dr. J. Boksem en
mr. W. Anker, advocaten te Leeuwarden.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens
misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in
hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot
een voorwaardelijke geldboete van honderd euro, met een proeftijd van twee
jaren.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud
van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.
(Pseudo-)kwalificatieverweer
De verdediging heeft ter zitting van het hof een (pseudo-)kwalificatieverweer
gevoerd en heeft dit als volgt geformuleerd:
‘Bij de strafbaarstelling in de Opiumwet stond het beschermen van de
volksgezondheid als uitgangspunt voorop.
In de gewijzigde Opiumwet (Stb. 1928, nr 67) werden in artikel 2 lid 2 (a) de
criteria geformuleerd voor opneming van een middel in de wet:
“Bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangewezen:
a. bewustzijnsbeïnvloedende middelen, welke bij aanwending bij de mens kunnen
leiden tot schade voor zijn gezondheid en schade voor de samenleving.”
De gezondheidsschade door gebruik van het middel stond voorop. Het doel van de
Opiumwet blijkt bijvoorbeeld ook uit de MvT bij de wetwijziging van 1976, nl.:
het gebruik van bij of krachtens de wet aangewezen middelen te beperken tot
geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden.
In de jaren 70 werd in de Kamer gediscussieerd over decriminaliseren van het
bezit van hennep voor eigen gebruik. Uiteindelijk bleef de strafbaarstelling
gehandhaafd vanwege de onvolledigheid van de kennis omtrent het risico van het
gebruik. Kennelijk was het mogelijke gezondheidsrisico voor de gebruiker van de
hennep van doorslaggevende betekenis.
In de onderhavige zaak is het gezondheidsrisico door het gebruik van hennep in
geen enkel opzicht aan de orde. Integendeel zelfs. Het middel wordt in dit geval
gebruikt om de gezondheidsklachten die het gevolg zijn van de ziekte MS te
onderdrukken. Het is evident dat het verbod in de Opiumwet niet voor deze
situatie is geschreven.
Naar de letter genomen vervullen de verdachten de delictsomschrijving. Zij
hebben immers hennepplanten verbouwd. Om in de termen van de strafbepaling te
blijven: ze hebben, volgens de steller van de tenlastelegging, opzettelijk
geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt.
Hun handelen was echter niet in strijd met de ratio van de strafbepaling. De
wetgever beoogde, zoals gezegd, met de strafbaarstelling de gezondheid van
personen te beschermen. Los van de vraag of het cannabisverbod überhaupt wel kan
bijdragen aan bescherming van de gezondheid van personen (omdat het nog maar de
vraag is of het middel wel echt schadelijk is voor de gezondheid), zal het
duidelijk zijn dat in dit concrete geval de planten slechts gebruikt werden om
de gezondheid en het welzijn van een MS-patiënt te bevorderen.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het verbod op het telen,
bereiden, bewerken en verwerken ziet op de (commerciële) hennepteelt met het oog
op de handel in cannabisproducten, waardoor mogelijk een gezondheidsrisico voor
de gebruiker ontstaat. De activiteiten van de verdachten staan daar heel ver
vanaf. Zij kweekten slechts voor eigen gebruik door de [echtgenoot], ter
bestrijding van de symptomen van de chronische ziekte waaraan hij lijdt.
Het verbod van artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumwet dient te worden
uitgelegd overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Dat betekent dat de
woorden “opzettelijk telen, bereiden, bewerken en verwerken” zo gelezen moeten
worden dat daaronder slechts valt het handelen dat gericht is op de
(commerciële) hennepteelt met het oog op de handel in cannabisproducten,
waardoor mogelijk een gezondheidsrisico voor de gebruiker ontstaat. Een
dergelijke – beperkte – uitleg is in overeenstemming met de ratio van de
strafbepaling.
In dit geval zijn de betreffende delictsbestanddelen in de tenlastelegging
opgenomen. De constatering dat de delictsomschrijving op dit punt niet vervuld
is, zal daarom tot gevolg moeten hebben dat een essentieel onderdeel van de
tenlastelegging niet bewezen kan worden. Het (pseudo-)kwalificatieverweer zal
dus tot vrijspraak moeten leiden.’
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Artikel 3 van de Opiumwet (laatstelijk gewijzigd bij wet van 13-07-2002, Stb.
520) geeft een verbod op onder meer het telen, bereiden, bewerken, verwerken en
aanwezig hebben van een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst
II. Cannabis is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II.
In artikel 5, tweede lid, van de Opiumwet (zoals gewijzigd bij wet van
13-07-2002, Stb. 520) is bepaald dat de verboden inzake het verstrekken,
vervoeren of aanwezig hebben van middelen als bedoeld in lijst I en II niet van
toepassing zijn op hen die de desbetreffende middelen in de aanwezige
hoeveelheid voor eigen geneeskundig gebruik behoeven en langs wettige weg hebben
verkregen.
De wetgever heeft strikt geregeld hoe de hennep voor geneeskundig gebruik kan
worden verkregen. Het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep is in
verband met de bescherming van de volksgezondheid, de bestrijding van de
georganiseerde criminaliteit, de handhaving van de openbare orde en de
bestrijding van overlast door druggebruik voorbehouden aan die instellingen die
daarvoor een ontheffing van het verbod van de minister hebben verkregen. Dit is
conform de regels van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen.
Op grond van artikel 8h van de Opiumwet dient de minister ervoor zorg te dragen
dat in Nederland voldoende hennep wordt geteeld voor wetenschappelijk onderzoek
naar de geneeskundige toepassing van hennep, hasjiesj en hennepolie of voor de
productie van geneesmiddelen.
In het eerste lid van artikel 8i van de Opiumwet is bepaald dat de minister niet
meer ontheffingen van het verbod tot teelt van hennep verleent dan nodig is voor
de in artikel 8h vermelde doeleinden en voor de veredeling van hennep. Artikel
8i, tweede lid, van de Opiumwet bepaalt dat een ontheffing van het verbod op het
telen van hennep dan wel tot het verwerken, bewerken of vervoeren van hennep,
hasjiesj en hennepolie voor de in artikel 8h genoemde doeleinden slechts
verleend wordt aan degene met wie de minister ter zake een overeenkomst tot het
verrichten van zodanige handelingen aangaat.
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft beleidsregels
vastgesteld voor de beslissing op aanvragen voor opiumwetontheffingen
(Beleidsregels opiumwetontheffingen, Staatscourant 9 januari 2003, nr. 6 / pag.
20).
Ten aanzien van een opiumwetontheffing voor het telen van cannabis houden deze
beleidsregels onder meer het volgende in:
“Het telen van cannabis is volgens de Opiumwet aan een ontheffing gebonden. Het
Bureau voor Medicinale Cannabis (BMC) is de instantie die alle ontheffingen met
betrekking tot cannabis namens de minister verleent.
BMC, dat sinds 1 januari 2001 optreedt als regeringsbureau in de zin van het
Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, heeft het alleenrecht van in- en
uitvoer, groothandel en het aanhouden van voorraden van cannabis en cannabis
hars, en moet alle oogst aankopen en daadwerkelijk in bezit nemen.
BMC heeft een tweeledige taak. Enerzijds dient BMC te (laten) onderzoeken of
cannabis en cannabisproducten kunnen worden gebruikt als geneesmiddel;
anderzijds moet BMC de apotheken in de loop van 2003 gaan voorzien van
medicinale cannabis, zodat patiënten die op doktersrecept kunnen verkrijgen.”
Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof dat de wetgever de
mogelijkheid om ontheffingen te verlenen voor het aanwezig hebben, het bereiden,
bewerken en verwerken van hennep – ook als het betreft hennepteelt voor
medicinale doeleinden - nadrukkelijk heeft beperkt.
Het verbod van artikel 3 van de Opiumwet is in het licht van het voorgaande naar
het oordeel van het hof door de wetgever nog recentelijk in 2002 gezien als een
strikt verbod op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. Noch uit
de wettekst noch uit de toelichting valt af te leiden dat de ratio van de
wetgever recentelijk is geweest dat het verbod uitsluitend ziet op (commerciële)
hennepteelt met het oog op de handel in cannabisproducten waardoor mogelijk een
gezondheidsrisico voor de gebruiker ontstaat zoals door de raadsman aangevoerd.
Dat de wetgever in het verleden bij de totstandkoming en de eerdere wijzigingen
van de Opiumwet wellicht een andere ratio had doet hieraan niet af.
Uit de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting naar
voren is gebracht blijkt dat verdachte geen ontheffing heeft voor de teelt en
onder de huidige omstandigheden en wetgeving ook niet kan krijgen.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gedragingen van de
verdachte samenvallen met wat de wetgever heeft bedoeld met de wettelijke termen
van strafbaar ‘telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep’.
Op grond van het voorgaande verwerpt het hof het door de verdediging gevoerde
(pseudo-)kwalificatieverweer.
Bewezenverklaring
(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlastelegging)
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer
of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert telkens op het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid,
onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid
Van de zijde van de verdediging is een beroep gedaan op de rechtvaardigende
overmacht-noodtoestand. De verdediging heeft hiertoe het volgende aangevoerd:
‘Er is sprake van een conflict van plichten. Aan de ene kant de plicht om de
strafwet (in dit geval de Opiumwet) niet te overtreden. Aan de andere kant het
recht op een dragelijk en menswaardig bestaan en de daaruit vloeiende plicht om
alles in het werk te stellen om onnodig lijden te voorkomen en de kwaliteit van
het leven zo goed mogelijk te laten zijn. De [echtgenoot] en [verdachte] hebben
– gegeven de chronische ziekte MS waaraan de [echtgenoot] lijdt – gemerkt dat
cannabis (in een bepaalde variëteit) een heilzame werking heeft. Het maakt de
[echtgenoot] niet beter, maar het onderdrukt wel de vervelende symptomen waarmee
de ziekte gepaard gaat. Het middel wordt gebruikt in aanvulling op de ‘gewone
medicatie’ en wordt door de [echtgenoot] als een noodzakelijk aanvulling
ervaren.
De [echtgenoot] wil absoluut niet de wet overtreden. Hij heeft – gezien zijn
ziekte – echter geen keuze. Het liefst zou hij zien dat de wet zou worden
aangepast, zodat hij gewoon het plantje waar hij baat bij heeft kan verbouwen en
gebruiken. Zolang de strafbepaling echter bestaat (en zo wordt uitgelegd dat het
kweken voor eigen medicinaal gebruik daar ook onder valt), ziet hij zich voor
een onmogelijke keuze geplaatst. Wanneer hij zich aan de wet houdt, worden de
ziekteverschijnselen niet of onvoldoende onderdrukt. Wanneer hij er voor kiest
de ziekte te onderdrukken met zelf gekweekte cannabis, pleegt hij een strafbaar
feit. (...) De medicinale cannabis is geen alternatief, omdat hij daar ernstige
hoofdpijnklachten van krijgt. De coffeeshop is ook verre van ideaal, omdat de
kwaliteit zeer wisselend is. De [echtgenoot] moet daarom noodgedwongen
terugvallen op medicatie die bijwerkingen heeft en minder goed werkt, of hij
moet via via proberen de voor hem geschikte cannabis te pakken te krijgen bij
kwekers die de planten eigenlijk niet mogen verbouwen. (...).
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de [echtgenoot] en [verdachte]
een verantwoorde keuze hebben gemaakt, gegeven de situatie waarin zij
verkeerden. Daarbij werd voldaan aan de eisen van proportionaliteit en
subsidiairiteit. Het beroep op overmacht (noodtoestand) moet leiden tot ontslag
van alle rechtsvervolging.’
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
M.P. Neeleman, anesthesioloog, heeft als deskundige ter zitting van het hof,
zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard:
“Ik heb ongeveer 400 MS-patiënten met cannabis behandeld.
Bij sommige patiënten stond vermindering van spasticiteit op de voorgrond, bij
anderen pijnvermindering. Het effect van de cannabis is zodanig dat we er mee
doorgaan. Er is een meetbare vermindering van de spasticiteit vastgesteld.
Bij gebruik van cannabis is er een afname van het gebruik van andere medicatie.
In de helft van de gevallen waarin cannabis wordt gebruikt is er enige
subjectieve verbetering. Het draagt bij aan de kwaliteit van leven.
Eerst worden andere farmaceutische middelen gebruikt. Als deze middelen
onvoldoende effect hebben dan wordt pas de stap naar de cannabis gezet. Cannabis
is een mild middel, maar wel de laatste in de reeks middelen. In het geval de
patiënt moet stoppen met cannabis zijn er eigenlijk geen alternatieven.
De dosering van cannabis loopt voor MS-patienten uiteen van 1 tot 7 gram per
dag. Het verschil hangt samen met de diversiteit van cannabis-receptoren in het
centrale zenuwstelsel.
Op grond van de stukken en hetgeen ik nu van de [echtgenoot] zie, raad ik het de
[echtgenoot] sterk af om te stoppen met cannabis. Er is voor hem geen redelijk
alternatief. De [echtgenoot] is namelijk opmerkelijk mobiel voor het stadium van
zijn ziekte. Ik denk dat de [echtgenoot] de cannabisplant heeft getroffen die
precies bij zijn cannabinoïd-receptoren past. Die receptoren verschillen per
individu en bepalen de gevoeligheid voor de stoffen van de cannabisplant. Die
gevoeligheid is biologisch bepaald.
U vraagt mij of ik bijwerkingen heb gezien van schadelijke stoffen in de
cannabis. Veel patiënten zijn ernstig ziek. Ze zijn daardoor erg gevoelig voor
schimmels en bacteriën. Ik heb patiënten gezien die last kregen van ernstige
maagdarmontstekingen. Bij de legale cannabis is dat niet zo.”
A. Hazekamp, wetenschapper/pharmacognost, heeft als deskundige ter zitting van
het hof, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard:
“Ik heb onderzoek gedaan naar de medicinale eigenschappen van planten. Vijf jaar
geleden ben ik begonnen met een promotieonderzoek betreffende de medicinale
eigenschappen van cannabis.
Er zijn veel verschillen in de planten cannabis. Pure THC is al bekend als
medicijn, maar dat heeft een ander effect dan cannabis. Naast THC zitten er
namelijk diverse andere stoffen in die verantwoordelijk zijn voor resultaat bij
MS-patiënten. Het effect wordt bereikt door de gezamenlijke werking van die
verschillende stoffen.
Er is een vergelijkend onderzoek geweest naar de kwaliteit van cannabis van de
apotheek en de coffeeshop. In dat onderzoek zijn elf coffeeshops betrokken. De
cannabis van de apotheek was veilig en de cannabis van de coffeeshop was in alle
gevallen vervuild met schimmels en bacteriën.
De werkzaamheid van cannabis is niet alleen af te meten aan het THC-gehalte.
Cannabis bevat naast THC andere werkzame stoffen. Het gaat met name om de groep
terpenen. De terpenen hebben werkingen zoals ontstekingsremmende en
antibacteriële activiteit.
Er zijn al meer dan 700 types van de cannabisplant beschreven. Het kan heel goed
zijn dat de [echtgenoot] precies de plant heeft die bij hem goed werkt.”
T. Erkelens, kweker, heeft als deskundige ter zitting van het hof, zakelijk
weergegeven, onder meer het volgende verklaard:
“De groeilamp die de verdachten hebben gebruikt is een beperkende factor geweest
bij zijn kweek. Onder die omstandigheden schat ik de opbrengst van 43 planten op
300 gram. Het effect van die groeilamp van 600 Watt was heel gering. Als je de
planten in de zon zou zetten zou de opbrengst hoger zijn.
Bij de illegale teelt voor de coffeeshops worden vaak bestrijdingsmiddelen
gebruikt. Er worden ook bestrijdingsmiddelen gebruikt die gevaarlijk voor de
volksgezondheid en verboden zijn.
Een kweek duurt bij ons tussen de 16 en 18 weken en op de manier van de
verdachte minimaal 12 à 13 weken, maar ik denk zeker 15 weken.
Het probleem is de betaalbaarheid van het legale product. Het kost tussen de 8,5
en 9,5 euro per gram. Het ziekenfonds vergoedt dit niet. Dit betekent dat het 20
à 30 euro per dag kan kosten. Een aantal verzekeringen heeft een coulance
vergoeding variërend van 450 tot 900 euro per jaar. Het is te duur voor
patiënten. In de coffeeshop kost de cannabis gemiddeld 5 à 6 euro per gram en de
thuiskweek kost nog geen euro per gram.
De helft van de artsen is zonder meer bereid om cannabis voor te schrijven. Maar
voor de meeste patiënten is het niet te betalen, dat maakt het voor de arts ook
moeilijk om het voor te schrijven.
De patiënten geven ook aan dat er behoefte is aan meer variëteit in de cannabis
dan nu door de apotheek wordt geleverd.”
D.R.A. Uges, ziekenhuisapotheker en hoogleraar klinische en forensische
toxicologie, heeft als deskundige ter zitting, zakelijk weergegeven, onder meer
het volgende verklaard:
“Er is een meetbaar effect op de pijnsensatie bij MS-patiënten bij gebruik van
cannabis. De door de verdachte gebruikte dosis van 3 gram per dag is niet
ongebruikelijk. Temeer daar de concentratie werkzame stof kan variëren.
De cannabis uit de coffeeshops kan spraymiddelen/landbouwgif bevatten. Bij
thuiskweek zal dat niet het geval zijn.
THC is over het algemeen een vrij veilig middel. De gezondheidsrisico’s zijn te
verwaarlozen, tenzij het door middel van roken wordt gebruikt.”
Het hof neemt deze bevindingen over en maakt deze conclusies van de deskundigen
tot de zijne en komt met behulp hiervan tot het volgende.
Cannabis kan heilzaam zijn voor MS-patiënten. Er zijn vele soorten cannabis en
de werkzame stoffen van de cannaboïden verschillen per soort. De uitwerking van
die werkzame stoffen verschilt per gebruiker, afhankelijk van de
cannabisreceptoren in het centrale zenuwstelsel die per individu verschillen.
De cannabis van de coffeeshop kan schimmels en bacteriën bevatten die schadelijk
zijn voor de gezondheid van iedereen maar in het bijzonder voor de gezondheid
van MS-patiënten, omdat deze verzwakt zijn door hun ziekte.
[de echtgenoot] is MS-patiënt. De door verdachten geteelde cannabis heeft op [de
echtgenoot] een bijzonder positieve uitwerking. Hij heeft waarschijnlijk de
cannabisplant getroffen die precies bij zijn cannabinoïd-receptoren past.
Daarnaast kan hij extra baat hebben bij zelf geteelde cannabis door subjectieve
factoren waaronder de lage kostprijs en de onafhankelijkheid door de teelt in
eigen hand te hebben.
De door [de echtgenoot] gebruikte dosis van 3 gram per dag is niet
ongebruikelijk.
De groeitijd is tussen de 12 en 15 weken. De teelwijze van verdachten levert bij
benadering een opbrengst op van 300 gram per oogst, derhalve per (omstreeks) 15
weken ofwel 105 dagen; dit past bij het gebruik van 3 gram per dag. Dat
verdachten een “voorraad” bezaten ten tijde van de inval, maakt het telen voor
uitsluitend eigen medicinaal gebruik door [de echtgenoot] niet minder
aannemelijk gezien zijn afhankelijkheid van de zelfgeteelde cannabis.
Het hof is van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een conflict
van belangen. Enerzijds het maatschappelijk belang bij naleving van de Opiumwet
en anderzijds het bestrijden van de spasticiteit en de pijn bij [de echtgenoot]
veroorzaakt door de ziekte MS.
Nu verdachten cannabisplanten hebben geteeld die precies bij [de echtgenoot]’s
cannabinoïd-receptoren pasten en die daarom een bijzonder positieve uitwerking
op zijn ziekte hebben en er blijkens de hiervoor weergegeven verklaringen van de
deskundigen geen redelijke alternatieven zijn, is het hof van oordeel dat, onder
alle voornoemde bijzondere omstandigheden, het belang van het bestrijden van de
spasticiteit en de pijn door de ziekte MS bij [de echtgenoot] zwaarder moet
wegen dan het maatschappelijk belang bij handhaving van de Opiumwet. Verdachten
hebben bij afweging van de belangen een keuze gemaakt die, objectief beschouwd
en gelet op de zich in dit geval voordoende bijzondere omstandigheden, naar het
oordeel van het hof gerechtvaardigd was.
Het hof honoreert het door de raadsman gedane beroep op overmacht-noodtoestand
en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezen
verklaarde in de onderhavige zaak geen strafbaar feit oplevert.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op artikel 3 van de Opiumwet en artikel 40 van het Wetboek
van Strafrecht.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte als voormeld onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of
anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt
verdachte daarvan vrij;
ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging, omdat het onder 1 en 2 bewezen
verklaarde geen strafbaar feit oplevert.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter,
mr. J.M. Rowel-van der Linde en mr. M. Koers-van der Linden, in tegenwoordigheid
van mr. M. Nijhuis als griffier, zijnde mr. Koers-van der Linden voornoemd
buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.