LJN: AT5002, Rechtbank Assen, 19/005757-04
Datum
uitspraak: 03-05-2005
Datum
publicatie: 03-05-2005
Rechtsgebied: Straf
Soort
procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: De politierechter overweegt dat duidelijk is geworden dat
verdachte, ingegeven door zijn ziekte, bewust de keuze heeft gemaakt om te
handelen zoals hij heeft gehandeld. Dat doet hij uit overtuiging, hij strijdt al
langere tijd voor ruimere mogelijkheden om hennep te kweken en zijn
zelfredzaamheid te vergroten zonder een beroep te hoeven doen op derden.
Verdachte draagt zijn kennis, ervaring en overtuiging ook uit. Keerzijde hiervan
is dat verdachte gaandeweg minder open lijkt te staan voor het onderzoeken van
alternatieven en het vinden van oplossingen voor aan alternatieven verbonden
nadelen.
STRAFVONNIS van de politierechter in bovengenoemde rechtbank in de zaak van het
openbaar ministerie tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
wonende te [woonplaats].
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2005.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. N.A. Heidanus,
advocaat te Groningen.
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van
justitie mr. J. Hoekman.
De vordering houdt in dat hij de beide tenlastegelegde feiten wettig en
overtuigend bewezen acht en dat de politierechter daarvoor zal opleggen een
geldboete van € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis.
Hij vordert voorts dat de inbeslaggenomen hennepkwekerij-apparatuur en
hennepplanten zullen worden onttrokken aan het verkeer.
1. TENLASTELEGGING
De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat
1. hij op of omstreeks 08 juli 2004 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] een hoeveelheid van
ongeveer 49, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk
geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan
wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2. hij op of
omstreeks 15 december 2004 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft
geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk
aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] een hoeveelheid van ongeveer 40,
althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een
hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde
hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
3. BEWEZENVERKLARING
De politierechter acht door de inhoud van de bewijsmiddelen, waarop de hierna te
vermelden beslissing steunt, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen,
telkens slechts is gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens
zijn inhoud betrekking heeft, wettig bewezen en hij heeft de overtuiging
verkregen, dat de verdachte het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde heeft
begaan, met dien verstande, dat
1. hij op 08 juli 2004 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, tezamen en in
vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en
verwerkt in een pand aan [adres] een hoeveelheid van 49 hennepplanten, zijnde
hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2. hij op 15 december 2004 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, tezamen en
in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en
verwerkt in een pand aan [adres] een hoeveelheid van 40 hennepplanten, zijnde
hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor
de bewezenverklaring.
De verdachte zal van het onder 1 en het onder 2 meer of anders tenlastegelegde
worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet wettig en overtuigend
bewezen acht.
4. DE STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN EN DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Het bewezene levert respectievelijk op:
1. “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste
lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod”,
strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede van de Opiumwet in verbinding met
artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht,
2. “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste
lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod”,
strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede van de Opiumwet in verbinding met
artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Door verdachte is een beroep gedaan op een tweetal strafuitsluitingsgronden, te
weten primair het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid en subsidiair
overmacht in de zin van noodtoestand.
Bij de beoordeling van deze verweren gaat de politierechter uit van het
volgende. Verdachte lijdt aan de ziekte multiple sclerose (MS). Hij gebruikt
cannabis om verschijnselen die bij deze ziekte horen te onderdrukken. Dit doet
hij op advies van zijn huisarts en zijn neuroloog. Verdachte heeft hier baat
bij. Het gebruik van cannabis heeft daarnaast bij hem geleid tot een afname van
(ander) medicijngebruik.
Verdachte betrekt de cannabis niet van een coffeeshop of van een apotheek, naar
hij stelt omdat de kwaliteit van die cannabis niet goed is en de prijs daarvan
te hoog. Om in zijn cannabisbehoefte te voorzien kweekt verdachte, met zijn
echtgenote, zelf hennep. Dat gebeurt op biologische wijze waarbij de zogeheten
“korte dagbehandeling” wordt toegepast. De door de politie in de woning van
verdachte aangetroffen hennepkwekerij omvatte in juli 2004 49 planten en in
december 2004 40 planten. De kwekerij was telkens voorzien van verlichting,
ventilatie en luchtverversing. In beide gevallen maakte de hennepkwekerij een
professionele indruk.
Verdachte heeft ter onderbouwing van het beroep op het ontbreken van de
materiële wederrechtelijkheid betoogd dat zijn gedrag, bezien vanuit het
standpunt van de maatschappij of de rechtsorde zo’n tastbaar voordeel oplevert
dat dit opweegt tegen het nadeel van strijd met de Opiumwet. Door het handelen
van verdachte wordt de kwaliteit van de rechtsorde vergroot. Het gaat hier,
aldus verdachte, om een uitzonderlijk geval dat de wetgever vermoedelijk niet
heeft voorzien maar waarvoor de wetgever, had hij het wel voorzien, een
uitzonderingsbepaling zou hebben gemaakt of had behoren te maken.
De politierechter overweegt hiertoe dat de wetgever, in de artikelen 6 en 8,
eerste lid, onder a, van de Opiumwet, de mogelijkheid heeft geopend voor -door
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te verlenen- ontheffingen van,
onder meer, het verbod van artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet,
indien de aanvrager van die ontheffing heeft aangetoond dat daarmee het belang
van de volksgezondheid wordt gediend. Door verdachte is niet gesteld of
aannemelijk gemaakt dat hij niet voor een dergelijke ontheffing in aanmerking
kan komen. Verdachte heeft geen aanvraag om een ontheffing ingediend, vanwege de
daaraan verbonden kosten. Naar het oordeel van de politierechter is dit argument
onvoldoende om te stellen dat de situatie van verdachte niet door de wetgever is
voorzien en een situatie betreft waarvoor de wetgever, had hij dat voorzien, een
uitzondering voor in het leven had geroepen of had behoren te roepen. In dit
verband overweegt de politierechter dat in het kader van de procedure naar
aanleiding van de aanvraag om ontheffing, de vraag of er kosten zijn verbonden
aan de (verkrijging van de) ontheffing en zo ja of verdachte voor vermindering
of vrijstelling in aanmerking kan komen, aan de orde kan komen. De
politierechter wijst erop dat op grond van artikel 7, eerste lid, van de
Opiumwet een vergoeding voor de behandeling van de aanvraag niet dwingend is
voorgeschreven. Verdachte heeft echter geen gebruik gemaakt van deze door de
wetgever geboden mogelijkheid. Het beroep op het ontbreken van de materiële
wederrechtelijkheid faalt.
In het verlengde van het beroep op het ontbreken van de materiële
wederrechtelijkheid heeft verdachte een beroep gedaan op de rechtvaardigende
overmacht in de zin van noodtoestand. Verdachte heeft betoogd dat hij in het
conflict van belangen -zijn gezondheid enerzijds en de naleving van de Opiumwet
anderzijds- een juiste belangenafweging heeft gemaakt, een weloverwogen,
gerechtvaardigde keuze in exceptionele omstandigheden, waarbij is voldaan aan
het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit.
Ook dit beroep faalt. Allereerst wijst de politierechter op hetgeen hierboven is
overwogen omtrent het niet volgen, door verdachte, van de procedure ter
verkrijging van een ontheffing van het overtreden verbod. Aldus heeft verdachte
niet gedaan hetgeen redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te streven
naar een zodanige situatie dat de Opiumwet niet wordt overtreden.
Daarnaast merkt de politierechter op dat verdachte in zijn op 14 juli 2004
gedateerde persoonlijke verklaring heeft aangegeven dat de voor hem
noodzakelijke hoeveelheid cannabis ook kan worden verkregen met vijf planten.
Van overtreding van het verbod van artikel 3 van de Opiumwet is dan weliswaar
nog steeds sprake, maar in mindere mate dan thans. Bovendien geldt dat het
openbaar ministerie aan het opsporen en vervolgen van dergelijke overtredingen
van de Opiumwet geen prioriteit toekent. De ter terechtzitting ingenomen
stelling dat verdachte, gelet op de wijze waarop hij kweekt, meer dan vijf
planten nodig heeft om voldoende van de vereiste kwaliteit cannabis te kunnen
verkrijgen, heeft verdachte, in het licht van zijn hierboven aangehaalde
persoonlijke verklaring, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Gelet hierop is naar
het oordeel van de politierechter evenmin voldaan aan de vereisten van
proportionaliteit en subsidiariteit.
Van strafuitsluitingsgronden is gelet hierop niet gebleken. Verdachte is
strafbaar.
5. STRAFMOTIVERING
Bij het beantwoorden van de vraag welke strafrechtelijke reactie moet volgen
heeft de politierechter rekening gehouden met de ernst van de feiten, de
omstandigheden waaronder zij zijn begaan, de persoon van verdachte en de eis van
de officier van justitie.
De politierechter overweegt dat duidelijk is geworden dat verdachte, ingegeven
door zijn ziekte, bewust de keuze heeft gemaakt om te handelen zoals hij heeft
gehandeld. Dat doet hij uit overtuiging, hij strijdt al langere tijd voor
ruimere mogelijkheden om hennep te kweken en zijn zelfredzaamheid te vergroten
zonder een beroep te hoeven doen op derden. Verdachte draagt zijn kennis,
ervaring en overtuiging ook uit.
Keerzijde hiervan is dat verdachte -zo is de politierechter ook gebleken-
gaandeweg minder open lijkt te staan voor het onderzoeken van alternatieven en
het vinden van oplossingen voor aan alternatieven verbonden nadelen. Zoals
hierboven is overwogen is dat echter wel van belang.
Daarom zal de politierechter het meer subsidiaire verzoek van verdachte om een
rechterlijk pardon uit te spreken niet volgen. De eis van de officier van
justitie, een geldboete van 250 euro onvoorwaardelijk, doet naar het oordeel van
de politierechter evenwel onvoldoende recht aan de omstandigheden waaronder
verdachte tot de feiten is gekomen en de persoon van verdachte, waarbij de
politierechter opmerkt dat hij geen enkele reden heeft voor twijfel aan de
juistheid van verdachtes verklaringen dat hij uitsluitend voor eigen medicinaal
gebruik heeft gekweekt.
6. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL ONTTREKKING AAN HET VERKEER
De politierechter acht de inbeslaggenomen voorwerpen, bestaande uit onder meer
hennepkwekerijapparatuur, opium en hennepplanten vatbaar voor onttrekking aan
het verkeer, aangezien met betrekking tot genoemde voorwerpen de feiten zijn
begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
7. TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN:
De politierechter heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c,
36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.
8. DE BESLISSING VAN DE POLITIERECHTER LUIDT:
verklaart bewezen, dat het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde, zoals
hierboven is omschreven, door verdachte is begaan;
stelt vast, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals
hierboven is vermeld;
verklaart verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt verdachte te dier zake tot:
een geldboete ten bedrage van € 250,--, met bevel dat, indien noch volledige
betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat
vervangende hechtenis voor de duur van 5 dagen zal worden toegepast geheel
voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
beveelt dat deze voorwaardelijke opgelegde straf niet zal worden
tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat
verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar
feit heeft schuldig gemaakt;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders
is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte
daarvan vrij;
verklaart onttrokken aan het verkeer de onder verdachte inbeslaggenomen
voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. van Schuijlenburg, politierechter, in
tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van de politierechter op dinsdag 3 mei 2005.